Rechtbank Den Haag: Staat beschermt inwoners Bonaire onvoldoende tegen klimaatverandering

12.03.2026

De rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat het Nederlandse klimaatbeleid tekortschiet en dat de Nederlandse Staat de inwoners van Bonaire onvoldoende beschermt tegen de gevolgen van klimaatverandering. Volgens de rechtbank schendt het huidige klimaatbeleid zowel het recht op bescherming van het privéleven als het discriminatieverbod onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De Staat moet daarom aanvullende maatregelen nemen en bindende emissiereductiedoelen vastleggen.

De uitspraak (Rechtbank Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1344) is een belangrijke nieuwe ontwikkeling in de Nederlandse klimaatrechtspraak.

Achtergrond van de zaak

De procedure werd aangespannen door Greenpeace Nederland namens de inwoners van Bonaire. Greenpeace stelt dat de Staat te weinig maatregelen neemt om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen (zogenoemde mitigatiemaatregelen) en om de omgeving en de maatschappij aan te passen aan de gevolgen van de klimaatverandering (zogenoemde adaptatiemaatregelen). Dat is volgens Greenpeace in strijd met de grondrechten van de inwoners van Bonaire.

Volgens Greenpeace schendt de Staat het recht op leven en het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven, zoals neergelegd in artikel 2 en artikel 8 EVRM. Daarnaast is er volgens Greenpeace sprake van ongelijke behandeling, omdat inwoners van Bonaire minder bescherming krijgen tegen klimaatrisico’s dan inwoners van Europees Nederland.

De Staat voert aan dat al verschillende maatregelen worden genomen en dat het klimaatbeleid voor Caribisch Nederland noodzakelijkerwijs verschilt van dat voor Europees Nederland.

Wat oordeelde de rechter?

De rechtbank stelt voorop dat staten verplicht zijn hun inwoners te beschermen tegen ernstige risico’s van klimaatverandering. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar emissiereductie (mitigatie), maar ook naar maatregelen om burgers te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering (adaptatie).

Volgens de rechtbank levert het klimaatbeleid van de Nederlandse Staat geen eerlijke bijdrage op aan de mitigatiemaatregelen die wereldwijd genomen moeten worden om de mondiale opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 1,5°C. De Nederlandse Klimaatwet bevat ten onrechte geen bindend emissiereductiedoel voor 2030 en de door de Nederlandse Staat voorgenomen (niet-bindende) emissiereductie is waarschijnlijk te beperkt om te voldoen aan de internationaal op Nederland rustende verplichtingen. Daarbij komt dat Nederland zelfs het (vermoedelijk) te lage emissiereductiedoel voor 2030 zeer waarschijnlijk niet zal halen.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de Nederlandse Staat onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn zorgplicht tegenover de inwoners van Bonaire. De Staat neemt onvoldoende tijdige en passende maatregelen om de inwoners van Bonaire te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering, informeert de inwoners van Bonaire onvoldoende over de gevolgen van klimaatverandering en betrekt de inwoners van Bonaire onvoldoende bij de besluitvorming over maatregelen. Ook worden de inwoners van Bonaire bij het nemen van adaptatiemaatregelen ongelijk behandeld ten opzichte van inwoners van Europees Nederland, zonder dat daarvoor een voldoende rechtvaardiging bestaat.

Daarmee handelt de Staat volgens de rechtbank in strijd met artikel 8 EVRM en met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Ook handelt de Staat hiermee onrechtmatig tegenover de inwoners van Bonaire zoals bedoeld in artikel 6:162 BW.

Verplichtingen voor de Staat

De rechtbank legt de Staat verschillende verplichtingen op. Zo moet de Staat:

  • binnen 18 maanden bindende doelen vastleggen in nationale wetgeving voor de absolute reductie van broeikasgasemissies voor de gehele Nederlandse economie, inclusief tussendoelen voor de gehele periode tot 2050;
  • de resterende nationale ruimte voor uitstoot van broeikasgassen inzichtelijk maken;
  • tijdig een nationaal adaptatieplan opstellen en implementeren dat ook Bonaire beslaat.

Een belangrijke en interessante ontwikkeling in de Nederlandse klimaatrechtspraak

In navolging van Urgenda, KlimaSeniorinnen en diverse andere internationale rechtszaken, bevestigt de rechtbank Den Haag met deze uitspraak nogmaals dat de Staat de verplichting heeft om bescherming te bieden tegen klimaatverandering. Naast het treffen van adequate emissiereductiemaatregelen houdt dit ook in dat adaptatiemaatregelen getroffen moeten worden. Dit geldt temeer voor de bijzonder kwetsbare inwoners van Bonaire. Het betreft een enorme overwinning voor de belangen van de inwoners van Bonaire en een zeer belangrijke uitspraak. Tegelijkertijd is de uitkomst voor degenen die bekend zijn met (de tekortkomingen van) het Nederlandse klimaatbeleid wellicht weinig verrassend. Het is bovenal treurig dat een dergelijke tussenkomst van de rechter nogmaals nodig was. Het valt te hopen dat de Staat hier lering uit trekt en nu wel werk maakt van een deugdelijk klimaatbeleid.

In het bijzonder is interessant dat de Staat nu transparant moet maken hoeveel nationale emissieruimte er nog voor Nederland resteert binnen het mondiale 1,5°C koolstofbudget. Dat deze verplichting bestaat bleek al uit KlimaSeniorinnen, maar vooralsnog betrok de Staat deze noodzaak onvoldoende in haar klimaatbeleid. Uit de huidige klimaatplannen valt daarom niet op te maken hoeveel broeikasgassen Nederland nog zal gaan uitstoten en hoe dit zich verhoudt tot de doelstelling om de opwarming tot 1,5°C te beperken.

Aangezien het Ministerie van Financiën reeds in september 2023 waarschuwde dat het voor Nederland resterende koolstofbudget binnen twee jaar zou worden overschreden (zie rov. 11.13.5 van het vonnis), zal deze exercitie waarschijnlijk moeten leiden tot een forse aanscherping van het Nederlandse klimaatbeleid. Immers, een klimaatbeleid dat berust op een uitstoot per inwoner die aanzienlijk hoger ligt dan het mondiaal gemiddelde per capita koolstofbudget, valt moeilijk te verenigen met de uit het Parijs Akkoord volgende verplichting om een billijke bijdrage te leveren aan het behalen van het 1,5°C-doel, waarbij die bijdrage bovendien de hoogst mogelijke ambitie moet vertegenwoordigen en moet passen bij de voortrekkersrol die ontwikkelde landen zoals Nederland hebben te vervullen. Of de Staat zal komen tot deze hoogst noodzakelijke aanscherping, zal moeten blijken. De Staat heeft nog niet beslist over het al dan niet instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Wordt vervolgd dus.

Dit bericht werd geschreven door Funs van Diem van het team Energie en Klimaat. Het team van Paulussen Advocaten treedt op voor Milieudefensie en andere maatschappelijke (milieu-)organisaties in klimaatzaken, waaronder de zaken tegen Shell en ING. Voor vragen kunt u contact opnemen via climatelitigation@paulussen.nl.

Nieuws Overzicht