Ondanks kritiek Raad van State: kabinet houdt vast aan leidende rol bedrijfsarts bij re-integratietoets

30.09.2026

Vorig jaar schreven wij al over het voornemen om het oordeel van de bedrijfsarts leidend te maken bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van werkgever en werknemer (https://www.paulussen.nl/nl/nieuws/meer-zekerheid-voor-werkgevers-bij-re-integratie-van-zieke-werknemers/). De Raad van State heeft zich hierover kritisch uitgelaten, maar het kabinet houdt vast aan de leidende rol van de bedrijfsarts bij de re-integratietoets. Op 31 augustus 2026 werd het wetsvoorstel Wet wijziging toets op re-integratie-inspanningen en WIA-voorschotregeling bij de Tweede Kamer ingediend.

Kritisch advies van de Raad van State

Het doel van de wetswijziging is duidelijk: werkgevers meer zekerheid geven. Onder de huidige regeling kan een werkgever een loonsanctie krijgen als de verzekeringsarts van het UWV achteraf anders oordeelt over de belastbaarheid van een werknemer dan de bedrijfsarts tijdens het re-integratietraject. Volgens het kabinet is dat onwenselijk. Een werkgever moet kunnen vertrouwen op het advies van zijn bedrijfsarts en mag niet de gevolgen dragen van een medisch verschil van inzicht waarop hij geen invloed heeft.

De Raad van State vraagt zich echter af of een ingrijpende wijziging van het stelsel daarvoor nodig is. Volgens de Raad is onvoldoende aangetoond dat sprake is van een groot praktisch probleem. Uit cijfers blijkt dat een verschil van inzicht tussen bedrijfsarts en verzekeringsarts slechts bij ongeveer 8% van de opgelegde loonsancties de belangrijkste reden was. In 2024 ging het om ongeveer 175 gevallen. Bovendien betrof dit vooral grotere werkgevers.

Verschuiving van risico’s

Een belangrijk bezwaar van de Raad van State is dat de gevolgen van een onjuist medisch oordeel verschuiven van de werkgever naar de werknemer.

Onder de huidige regeling kan UWV ingrijpen wanneer achteraf blijkt dat een bedrijfsarts de mogelijkheden van een werknemer te beperkt heeft ingeschat. Het UWV kan dan een loonsanctie opleggen, waardoor werkgever en werknemer meer tijd krijgen om herstel en re-integratie mogelijk te maken.

Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, vervalt deze mogelijkheid. Volgens de Raad van State bestaat daardoor het risico dat werknemers eerder in de WIA terechtkomen, terwijl hun arbeidsmogelijkheden nog niet volledig zijn benut.

Daarnaast wijst de Raad van State erop dat werknemers in de praktijk maar beperkte mogelijkheden hebben om een onjuist advies van de bedrijfsarts te laten corrigeren. Een second opinion of deskundigenoordeel is mogelijk, maar blijkt lang niet altijd eenvoudig of effectief.

Minder ruimte voor UWV als poortwachter

Een ander belangrijk kritiekpunt betreft de poortwachtersfunctie van het UWV.

Met de re-integratietoets beoordeelt het UWV of werkgever en werknemer voldoende hebben gedaan om langdurige arbeidsongeschiktheid en instroom in de WIA te voorkomen. Volgens de Raad van State vormt de onafhankelijke beoordeling door een verzekeringsarts daarbij een belangrijke waarborg.

Als het oordeel van de bedrijfsarts leidend wordt, wordt deze controlemogelijkheid beperkt. Volgens de Raad van State verdwijnt daarmee ook deels de prikkel voor werkgevers om kritisch te blijven kijken naar de re-integratiemogelijkheden van een werknemer.

De Raad verwacht daarom dat de maatregel zal leiden tot een hogere instroom in de WIA.

BAR als alternatief?

De Raad van State erkent dat werkgevers behoefte hebben aan meer duidelijkheid. Volgens de Raad kan dit mogelijk ook op een minder ingrijpende manier worden bereikt.

Daarbij wijst de Raad op de BAR (Beschrijving Arbeidsbelastbaarheid & Re-integratie), een gezamenlijk beoordelingskader voor bedrijfsartsen, verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Als deze professionals dezelfde systematiek gebruiken om belastbaarheid en re-integratiemogelijkheden vast te leggen, wordt de kans op verschillen in beoordeling kleiner.

Volgens de Raad van State zou het verplicht gebruik van zo’n beoordelingskader mogelijk hetzelfde doel kunnen bereiken, zonder de controlefunctie van het UWV te beperken.

Kabinet houdt vast aan de voorgestelde wijziging

Het kabinet heeft de kritiek van de Raad van State niet overgenomen.

Volgens het kabinet gaat het niet zozeer om het aantal gevallen, maar om de vraag wie verantwoordelijk is voor een medisch oordeel. Een werkgever kan de belastbaarheid van een werknemer niet zelf beoordelen en moet daarom kunnen vertrouwen op het advies van de bedrijfsarts. Als een verzekeringsarts daar later anders over denkt, vindt het kabinet het niet redelijk dat de werkgever daarvan de gevolgen draagt.

Het kabinet erkent dat de maatregel mogelijk leidt tot een beperkte stijging van de WIA-instroom. Tegelijkertijd verwacht het kabinet dat werkgevers voldoende financiële en wettelijke prikkels houden om zich actief in te zetten voor re-integratie.

Ook ziet het kabinet de BAR niet als alternatief voor de wetswijziging. Volgens het kabinet kan de BAR bijdragen aan meer uniformiteit, maar niet voorkomen dat bedrijfsartsen en verzekeringsartsen soms tot verschillende beoordelingen komen.

Hoe nu verder?

Het is nu aan de Tweede Kamer om het wetsvoorstel te behandelen. De parlementaire behandeling zal uitwijzen of het voorstel ongewijzigd wordt aangenomen.

Heeft u vragen over re-integratie? Neem gerust contact op met Ine Swennen of Lisanne Somers van Paulussen Advocaten te Maastricht.

Nieuws Overzicht