Uitzicht op nieuw werk tijdens onderhandeling over beëindiging arbeidsovereenkomst: zwijgen of melden?

20.05.2026

Beëindiging van de arbeidsovereenkomst vindt vaak plaats met wederzijds goedvinden. Werkgever en werknemer leggen de afspraken over de beëindiging dan vast in een beëindigings- of vaststellingsovereenkomst.

Het is mogelijk dat de werknemer al voorafgaand of tijdens de onderhandelingen over de beëindiging is gestart met solliciteren of het opzetten van een eigen onderneming. Moet hij dat dan melden aan de werkgever? Als de werknemer immers al uitzicht heeft op ander werk, zal de werkgever de beëindigingsovereenkomst mogelijk niet of niet meer onder dezelfde voorwaarden willen sluiten. Of de werknemer een mededelingsplicht heeft, hangt af van de situatie.

Concreet uitzicht op ander werk?
In ieder geval moet voor het bestaan van een eventuele mededelingsplicht sprake zijn van een concreet uitzicht op ander werk. Als de werknemer reeds een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht heeft ondertekend is daarover weinig of zelfs geen discussie mogelijk. Maar ook als er nog geen ondertekende overeenkomst ligt, kan sprake zijn van een concreet uitzicht op ander werk. Dat is het geval wanneer de onderhandelingen daarover in een zo vergevorderd stadium zijn dat mag worden aangenomen dat een concreet en op details uitgewerkt aanbod naar alle waarschijnlijkheid door de werknemer zal worden aanvaard. Het feit dat de werknemer reeds is gestart met solliciteren of zich is aan het oriënteren op ondernemerschap, waarbij in algemene termen een kans bestaat op het verkrijgen van werkzaamheden elders, is niet voldoende om te kunnen spreken van een concreet uitzicht op ander werk.

Spontane mededelingsplicht?
De rechtspraak is niet eenduidig als het gaat om de vraag of de werknemer een concreet uitzicht op ander werk op eigen initiatief moet melden voorafgaand aan ondertekening van de beëindigingsovereenkomst. Een spontane mededelingsplicht kan in ieder geval worden aangenomen als voor de werknemer duidelijk had moeten zijn dat het feit dat hij concreet uitzicht op ander werk had van wezenlijk belang was voor de werkgever bij het sluiten van de beëindigingsovereenkomst. De werkgever kan zich dan op het standpunt stellen dat de beëindigingsovereenkomst (gedeeltelijk) vernietigd moet worden vanwege bedrog dan wel dwaling. Of een beroep op bedrog of dwaling slaagt, hangt uiteindelijk af van de precieze omstandigheden.

Navraag doen of verklaring opnemen in beëindigingsovereenkomst
Werkgevers doen er verstandig aan om aan de werknemer te vragen of er al uitzicht op ander werk is en een en ander schriftelijk vast te leggen. Het beste is om in de beëindigingsovereenkomst een bepaling op te nemen waarin de werknemer verklaart ten tijde van ondertekening van de beëindigingsovereenkomst geen concreet uitzicht op ander werk te hebben. Aan onjuistheid van die verklaring kan bijvoorbeeld de consequentie worden gekoppeld dat de werknemer geen recht meer heeft op de overeengekomen beëindigingsvergoeding of dat een boete moet worden betaald.

Vragen of advies nodig?
Hebt u vragen of wenst u advies over dit onderwerp of over andere arbeidsrechtelijke kwesties, neem dan contact op met een van onze arbeidsrechtspecialisten, Lisanne Somers of Ine Swennen. Zij zijn bereikbaar via telefoonnummer 043 321 6640.

Bronnen:
– Rechtbank Noord-Holland 24 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15473
Rechtbank Gelderland 19 april 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:5526
Rechtbank Midden-Nederland 5 juli 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:3330

 

Nieuws Overzicht