
NOS Nieuwsuur, uitzending van 5 oktober 2026. Arnhem werkt aan een nieuwe manier om te bouwen op plaatsen waar het stroomnet vol zit. In Rijnpark komen duizenden woningen en bedrijven. Normaal gesproken vraagt een nieuwe wijk veel van het elektriciteitsnet. Dat kan anders door slim ontwerp en elektriciteitsgebruik.
Luister naar Jan Rotmans die geïnterviewd wordt. Rotmans is hoogleraar Transities en Transitiemanagement aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) en oprichter van
DRIFT (Dutch Research Institute For Transitions) en medeoprichter van stichting Urgenda.
Rotmans zegt in feite ‘de wal keert het schip’. De stroomcapaciteit is beperkt. Het ontwerp en het gebruik moeten daarbinnen blijven. Bouwers moeten andersom gaan denken. Volgens het oude denken worden eerst de woningen en bedrijven ontworpen en daar wordt vervolgens een capaciteitsbehoefte ‘op geplakt’. De netbeheerder moet dan die capaciteit beschikbaar stellen. In het nieuwe denken wordt de beschikbare capaciteit als uitgangspunt genomen voor het ontwerp.
Voor de eerste fase in Rijnpark, met meer dan 3000 woningen en verschillende andere functies, zullen normaal rond de 10 tot 15 megawatt aan capaciteit nodig zijn. Liander (de netbeheerder in Arnhem) heeft, naar het zich laat aanzien, maar ongeveer een derde beschikbaar. Dat betekent dat de energiebehoefte zo ontworpen moet worden dat een derde genoeg is.
Geef het een naam. Het gezamenlijke stroomplafond van de wijk heet ‘Buurtbudget’. Binnen het Buurtbudget moet alles draaien. Slim ontwerpen zodat het project binnen het Buurtbudget blijft, heet ‘Netbewust Bouwen’.
De gemeente en de netbeheerder Liander hebben samen met ontwikkelaars, woningcorporaties en TenneT de oplossing bedacht. De taken zijn als volgt verdeeld. Liander geeft aan hoeveel vermogen op het elektriciteitsnet beschikbaar is. De gemeente zorgt er in de ontwerpfase voor dat alles zo op elkaar wordt afgestemd dat het beschikbare vermogen voldoende is.
Graag breek ik een lans voor Netbewust Bouwen. Hieronder laat ik zien hoeveel laag hangend fruit is er is dat geplukt kan worden.
De nieuwe benadering is wezenlijk anders dan de ouderwetse, waarbij duizenden losse huizen met een aansluiting werden neergezet en iedereen zijn aansluiting gebruikte zoals hem goeddunkte. Planning en collectiviteit blijken de oplossing. In Rijnpark wordt gekeken naar het totale gebruik. Daar moeten we ook in Limburg meer mee aan de slag. Het gaat erom dat op de gevreesde piekmomenten niet te veel stroom tegelijk gevraagd wordt. Hoe werkt dat?
Weg met de pieken!
Netcongestie is een piekprobleem. Een wijk kan over een hele dag van voldoende stroom voorzien worden, maar zal toch tegen netcongestie aanlopen als huishoudens, warmtepompen en elektrische auto’s tijdens een piekmoment, bijvoorbeeld rond het avondeten, tegelijk de vraag laten exploderen.
Netbewust bouwen betekent weg met die pieken. Je hoeft over de dag niet per se minder stroom te gebruiken. Het betekent stroom gebruiken op momenten dat er ruimte is zonder dat je er te veel last van krijgt. De auto die om zes uur ’s avonds wordt aangesloten hoeft niet meteen op vol vermogen te laden. Hij wordt toch pas de volgende dag gebruikt. Laden kan ook later. Hetzelfde geldt voor verwarming. Als wat warmte vooraf wordt gebufferd, dan staat de warmtepomp niet te loeien tijdens een piek. Het stroomgebruik moet worden gespreid. Hoe ontwerp je zoiets?
Het begint bij isolatie
Een belangrijk onderdeel van de prachtige Arnhemse aanpak is dat de woningen zo goed geïsoleerd zijn dat warmtepompen minder hoeven te draaien. Op winterdagen gebruiken warmtepompen op sommige momenten veel stroom en dat veroorzaakt de piek waar je vandaan wil blijven. Daarom zijn in Rijnpark eisen gesteld aan de isolatie en energiezuinigheid. Natuurlijk ook om geld te besparen. Het is een win-winconcept.
Duizenden warmtepompen: niet slim
Vanwege klimaatverandering moeten we af van het fossiele aardgas. Het was goedkoop maar die tijd is voorbij. In plaats van duizenden losse luchtwarmtepompen moet zoals in Rijnpark worden gekeken naar een gezamenlijke warmtevoorziening. Ze willen in Rijnpark een warmte-koudeopslag in de bodem (WKO) bouwen. Die zijn veel beter dan warmtepompen die op de buitenlucht functioneren. In de zomer wordt warmte in de bodem opgeslagen. In de winter wordt die warmte gebruikt. Maar ook andersom. In de winter wordt koude in de bodem opgeslagen en in de zomer wordt die koude gebruikt. De collectieve WKO is uiteindelijk goedkoper en efficiënter dan die duizenden losse warmtepompen. Een gezamenlijke voorziening voorkomt dat op een koude winterochtend duizenden individuele warmtepompen tegelijk aanspringen. We zijn in Nederland goed in risico’s te spreiden door dingen samen te doen. Dat talent moet we toepassen bij uitdagingen zoals de warmtetransitie en netcongestie.
Warmte bufferen om pieken te voorkomen
Warmte wordt gebufferd. Wie zegt dat warmte pas moet worden gemaakt op het moment dat bewoners die gebruiken? Als rond zes uur ’s avonds veel stroom wordt gevraagd, moet het ontworpen systeem ervoor gezorgd hebben dat warmte al klaarstaat. Zo wordt de piek afgevlakt. Dat merk je nauwelijks: de woning is warm en er is warm water. Alleen het moment voor het produceren wordt vervroegd.
Elektrische auto’s: samen slim laden
Als er ‘ik weet niet hoeveel’ individuele laadpaaltjes zijn en alle auto’s direct beginnen te laden als iedereen thuiskomt van werk, heb je een piek. Oplossing: slim laden.
Een niet eens zo’n geavanceerde computer kan bepalen welke auto direct stroom nodig heeft en wie kan wachten. De volgorde kan ‘beprijsd’ worden, als je dat zou willen. Iets dergelijks is pas echt goed te realiseren als we onze heilige koe opladen in mobiliteitshubs. Dan kan het laden beter centraal worden aangestuurd om de ideale verdeling te bereiken. Collectiviteit biedt ook hier de oplossing.
Collectieve batterijen: anticiperen op pieken
Met batterijen alleen los je netcongestie natuurlijk niet op. Maar tijdens een piek zal een batterij wel een bijdrage kunnen leveren. Na de piek, wanneer er weer ruimte is, wordt de batterij geladen. Weer is de oplossing: collectiviteit en anticiperen op pieken.
Een digitaal systeem helpt
Een Energy Management System (EMS) is nodig. Zo’n EMS mag een paar miljoen kosten in Rijnpark maar de verwachting is dat het zijn geld opbrengt. De computer houdt bij hoeveel stroom in de wijk wordt gebruikt en hoeveel ruimte nog beschikbaar is om binnen het Buurtbudget te blijven.
Als een ongezonde piek dreigt, zal het EMS:
- het laden van elektrische auto’s vertragen;
- een batterij laten bijspringen;
- de warmtebuffer inzetten;
- collectieve warmtepompen tijdelijk minder laten draaien;
- bepaalde installaties op een later moment laten werken.
Zie het als het regelen van het verkeer. Het probleem is niet dat er over een hele dag te veel auto’s over een weg rijden. Een file ontstaat als iedereen tegelijk de weg op wil. Door het verkeer te spreiden kan dezelfde weg veel meer verkeer verwerken.
Proven technology
Goede isolatie bestaat al. Warmte-koudeopslag bestaat al. Warmtebuffers bestaan al. Batterijen bestaan al. Slimme laadpalen bestaan al. Digitale systemen die energieverbruik sturen bestaan ook al. Alles wat in Rijnpark wordt ingezet bestaat al en het lijkt redelijk te veronderstellen dat met een combinatie van al die technieken goede effecten bereikt kunnen worden. De toekomst zal het bewijzen.
Het nieuwe zit in het ontwerpen met de inzet van deze combinatie van middelen.
Niet eerst bouwen en dan pas kijken hoeveel stroom gewenst is. Intelligent is: eerst kijken hoeveel stroom beschikbaar is en dan de wijk zo ontwerpen dat je met de capaciteit uitkomt.
Collectiviteit en integraliteit leveren leefbare ruimte en geld op
Netbewust bouwen is niet door mij bedacht. Ere wie ere toekomt. De afgelopen jaren hebben netbeheerders, gemeenten, bouwbedrijven, projectontwikkelaars en kennisinstellingen oplossingen ontwikkeld om te bouwen op plaatsen waar het stroomnet vol zit.
De concrete aanpak in Rijnpark is bijvoorbeeld uitgewerkt door de gemeente Arnhem en Liander, samen met ontwikkelaars, woningcorporaties en TenneT. De gemeente heeft daarbij een regierol. Zij moet er in de planvorming voor zorgen dat woningbouw, warmtevoorziening, parkeren, laden en energie-infrastructuur niet los van elkaar worden ontworpen. De netbeheerder bepaalt vanuit het elektriciteitsnet hoeveel capaciteit beschikbaar is. Ontwikkelaars en corporaties moeten hun gebouwen vervolgens zo ontwerpen dat het totale gebied binnen de capaciteit van de netbeheerder blijft. Dat vergt ook voor hun een omslag. Dat is nodig als ze willen blijven bouwen.
Technisch gezien kan deze aanpak op veel meer plaatsen worden gebruikt.
De meeste technieken zijn immers al beschikbaar. Vooral bij grotere nieuwbouwlocaties liggen kansen. Daar kan meteen rekening worden gehouden met ruimte voor warmteopslag, laadvoorzieningen, batterijen, elektriciteitskabels en gezamenlijke installaties.
Verschillende functies moeten in een wijk slim worden gecombineerd. Woningen gebruiken bijvoorbeeld vooral ’s ochtends en ’s avonds veel stroom. Kantoren gebruiken juist overdag meer elektriciteit. Een supermarkt, school, parkeergarage en woongebouw hebben allemaal een ander gebruikspatroon. Als je functies integraal benadert, kan de beschikbare capaciteit slimmer worden gebruikt.
Enthousiast!
Waarom zijn wij bij Paulussen enthousiast over de aanpak, behalve dan dat het mogelijk blijft op de veranderende woningbehoefte te (blijven) inspelen? Slim ontwerpen gaat volgens ons iedereen geld opleveren, in die zin dat minder snel verzwaring van het totale stroomnet noodzakelijk is. Het moge duidelijk zijn dat de versterking van het stroomnet waaraan thans met man en macht gewerkt wordt gigakosten met zich brengt die door ons allemaal moeten worden opgebracht. Jan Rotmans wijst daarop in Nieuwsuur op 5 oktober. Indien deze kosten verlaagd kunnen worden doordat het verbruik slimmer wordt, levert dit voor iedereen een voordeel op.
Maar daar stopt het niet. Hoogstwaarschijnlijk heeft het op een goed tijdstip gebruiken van elektriciteit ook een drukkend effect op de marktprijs, waardoor het mes aan twee kanten snijdt. Bouwen wordt mogelijk terwijl de energiekosten voor burgers beter worden beheerst.
Zoals uit het bovenstaande blijkt, kan daar nog aan worden toegevoegd dat Netbewust Bouwen een kans biedt wonen en werk beter te combineren door gemengde wijken te plannen. Een gemengde wijk kan makkelijker binnen het Buurtbudget blijven dan een wijk waarin alleen maar huizen zijn. Dus, hoera we gaan weer wonen en werken in dezelfde wijk en besparen tegelijk op vervoer. De auto’s staan op afstand in mobiliteitshubs en onze wijken worden groener doordat we bomen gaan planten op de plekken waar de auto’s gestaan zouden hebben.
Netbewust Bouwen leidt als vanzelf tot een moderne parkeervisie waarin in de wijk in plaats van geparkeerde auto’s enerzijds ruimte is voor groen (leefbaarheid/antihittestress) en waarbij anderzijds het collectief laden en parkeren op een energetisch meer geschikte locatie plaatsvindt. Op de mobiliteitshub kunnen behalve de eigen voiture ook de deelauto’s en wellicht de genoemde batterijen staan. Op die locatie is ruimte voor OV, voor pakketafleverpunten en tal van andere dienstverlening. Bedenk het maar. Op een mobiliteitshub is voor OV’ers en carpoolers caffè latte in overvloed verkrijgbaar. Nieuwe biotopen ontstaan.
Last but not least. Netbewust Bouwen kan, als we het goed aanpakken, ook ertoe leiden dat onze energievoorziening minder kwetsbaar wordt voor bedreigingen zoals hybride aanvallen. Het is triest maar waar dat dit laatste aspect verdisconteerd moet worden in de ontwerpen voor nieuwe wijken.
Decentrale overheden hebben de regie
De Arnhemse aanpak is er ook kenmerkend voor dat gemeenten anders naar gebiedsontwikkeling gaan kijken. We zien het ook in Zuid-Limburg gebeuren.
In het omgevingsrecht spelen gemeenten een zeer belangrijke rol en voor gemeenteoverstijgende projecten is de provincie onmisbaar. De provincie is een aanjager van samenwerking tussen de gemeenten. Juist bij deze opgaven is de rol van de provinciale bestuurslaag waardevol.
De rol van de gemeente wordt door het Rijk bevestigd in de nieuwe Wet collectieve warmte. Energie is een essentieel onderdeel van de ruimtelijke planning en, zoals in Arnhem het geval is, maken warmtenetten deel uit van de oplossing. Elektriciteit zal vanaf nu hopelijk niet meer pas ergens aan het einde worden besproken. Bij het maken van het stedenbouwkundig plan moet tijdig duidelijk zijn:
- Hoeveel stroom is beschikbaar?
- Hoeveel woningen kunnen daarmee worden gebouwd?
- Welke warmtevoorziening past daarbij?
- Waar komen elektrische auto’s te staan?
- Hoe worden die geladen?
- Is batterijopslag nodig?
- Welke gebouwen kunnen op verschillende momenten stroom gebruiken?
- En wie zorgt ervoor dat het totale gebruik binnen de afgesproken grens blijft?
Het moet dus duidelijk zijn hoeveel capaciteit beschikbaar is voor woningen, hoeveel voor bedrijven, hoeveel voor laadvoorzieningen en hoeveel voor de warmtevoorziening.
Ook moet worden geregeld wat gebeurt als later nieuwe functies worden toegevoegd.
Hoe verder?
Dit najaar proberen veel gemeenten samen met netbeheerders te bepalen welke projecten als eerste toegang moeten krijgen tot de schaarse stroomcapaciteit. In Zuid-Limburg ook. Netbewust bouwen voegt daar een essentiële voorvraag aan toe: hoeveel stroomcapaciteit heeft een project eigenlijk werkelijk nodig? Stel dat vier woningbouwprojecten ieder 10 megawatt aanvragen terwijl er maar 15 megawatt beschikbaar is. Dan ontstaat direct een probleem. Niet alle projecten kunnen tegelijk doorgaan. Als diezelfde projecten door Netbewust Bouwen met bijvoorbeeld 4 of 5 megawatt per project kunnen functioneren, verandert het probleem. Dan kunnen mogelijk meer projecten binnen dezelfde beschikbare capaciteit worden gerealiseerd.
Netbewust Bouwen zal daarmee niet alleen helpen om een afzonderlijke wijk mogelijk te maken. Het kan er ook voor zorgen dat de beschikbare capaciteit van het stroomnet over meer bouwprojecten kan worden verdeeld. Als het in Rijnpark lukt, kan een wijk met duizenden woningen functioneren met ongeveer een derde van de stroomcapaciteit die normaal nodig zou zijn. Dat maakt Netbewust Bouwen interessant voor veel gemeenten die op dit moment woningbouwplannen hebben die door een vol elektriciteitsnet onder druk staan.
De echte uitdaging zit nu vooral in de organisatie: gemeenten, de provincie, netbeheerders, ontwikkelaars en woningcorporaties moeten vanaf het begin gezamenlijk ontwerpen en duidelijke afspraken maken over het gebruik en de verdeling van de beschikbare stroomcapaciteit.
Paulussen Advocaten
Dit opiniestuk is geschreven door Bert Lejeune van Paulussen Advocaten. Sharon Fraats en Bert Lejeune geven binnen Paulussen Advocaten leiding aan de sectie Overheid & Vastgoed. Binnen deze vakgroep werken wij op het snijvlak van publiek en privaat. De woningbouwopgave en energietransitie zijn daar een goed voorbeeld van. Gemeenten maken publiekrechtelijke keuzes over de gebouwde omgeving, die worden samen met ontwikkelaars, woningcorporaties, netbeheerders en andere private partijen gerealiseerd. Netcongestie laat zien hoe verweven die werelden zijn.
Binnen de sectie Overheid & Vastgoed is een warmtegroep actief. Daarin werken onder meer Bert Lejeune, Bart Lenferink, Patou Courtens, Emiel de Bruijne, Demi Herveille, Lara Hartman-Ohnesorge en Jesse Simonis samen aan de juridische vraagstukken rond warmte, energie-infrastructuur en gebiedsontwikkeling. Voor vragen op dat vlak is Bert Lejeune bereikbaar.
Nieuws Overzicht