
Nederland staat voor de opgave om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Onderdeel van dit doel is om de gebouwde omgeving te verduurzamen. Deze verduurzaming vindt onder meer plaats op het niveau van de warmtevoorziening van de gebouwde omgeving. De komende jaren zal daarom een transitie moeten plaatsvinden waarbij het gebruik van methaangas wordt vervangen door duurzame alternatieven.
Om deze transitie te ondersteunen heeft de wetgever de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) in het leven geroepen. Deze wet bevat aanpassingen aan de Omgevingswet waarmee een nieuwe bevoegdheid voor de gemeenteraad wordt geïntroduceerd om de haalbaarheid van duurzame alternatieven, waaronder warmtenetten, te vergroten.
Vanaf de inwerkingtreding van de Wgiw kan de gemeenteraad met deze bevoegdheid gebieden aanwijzen in het omgevingsplan waar vanaf een bepaalde datum geen methaangas meer gebruikt en geleverd mag worden voor ruimteverwarming, koken en warm tapwater. Dit is de zogenoemde “aanwijsbevoegdheid Wgiw”. In dit artikel zal deze bevoegdheid op hoofdlijnen besproken worden.
Waarom een aanwijsbevoegdheid? Een stop op methaangaslevering in een bepaald gebied kan wenselijk zijn in het kader van de gemeentelijke warmtetransitie. Het vormt immers een “deadline” voor methaangasgebruik en zet dus druk op de eigenaren van gebouwen in dat gebied om over te gaan op duurzame alternatieven.
De precieze manier waarop en de voorwaarden waaronder de gemeenteraad de aanwijsbevoegdheid kan inzetten worden op dit moment verder uitgewerkt in een apart Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw). Momenteel doorloopt een ontwerp van het Bgiw het wetgevingstraject. Het ontwerp geeft dus een beeld van de verdere invulling van de regels voor inzet van de aanwijsbevoegdheid, maar kan nog gewijzigd worden. Dit artikel gaat uit van de huidige stand van het ontwerp-Bgiw.
Op dit moment heeft de Minister het voornemen om de Wgiw en Bgiw gelijktijdig in werking te laten treden op 1 juli 2026.
Vereisten voor de inzet van de aanwijsbevoegdheid
Uit de systematiek van de Wgiw en het ontwerp-Bgiw volgen verschillende stappen die verplicht doorlopen moeten worden als een gemeente ervoor kiest om de aanwijsbevoegdheid Wgiw in te zetten.
De eerste stap: vermelding van een gebied in het warmteprogramma als warmtetransitiegebied
Op grond van de Wgiw is het college verplicht om, naar het nu lijkt, uiterlijk 31 december 2027 een warmteprogramma vast te stellen dat voldoet aan specifieke inhoudelijke eisen. Deze verplichting staat in principe los van de inzet van de aanwijsbevoegdheid. Er moet hoe dan ook een warmteprogramma worden vastgesteld. De specifieke inhoudelijke eisen van een rechtsgeldig warmteprogramma worden op dit moment uitgewerkt in het ontwerp Bgiw.
Wanneer de gemeente de aanwijsbevoegdheid Wgiw voor een bepaald gebied wenst in te zetten, zal het college in het warmteprogramma ook moeten vaststellen dat methaangasgebruik en -levering in dat specifieke gebied op een bepaald moment zal worden beëindigd. Dit gebied geldt dan als warmtetransitiegebied.
Het ontwerp Bgiw voorziet in een uitvoeringsplicht die inhoudt dat de gemeente binnen vijf jaar overgaat tot wijziging van het omgevingsplan voor die locaties waarvoor in het warmteprogramma is opgenomen dat gasgebruik wordt beëindigd. Deze uitvoeringsplicht geldt voor zowel het eerste warmteprogramma dat wordt vastgesteld, als voor de daaropvolgende geactualiseerde warmteprogramma’s. Deze uitvoeringsplicht is echter niet absoluut. Als inzet van de aanwijsbevoegdheid niet uitvoerbaar blijkt, dan kan de gemeente volgens de toelichting bij het ontwerp-Bgiw het warmteprogramma wijzigen of actualiseren waardoor de uitvoeringsplicht wordt uitgesteld of in het geheel komt te vervallen.
De tweede stap: aanpassing omgevingsplan
De gemeenteraad moet voor de inzet van de aanwijsbevoegdheid Wgiw het omgevingsplan wijzigen om daarin regels op te nemen over, onder meer:
- de beëindiging van het methaangasgebruik;
- de aansluiting op de beoogde duurzame energie-infrastructuur; en
- de verplichte mogelijkheid voor gebouweigenaren om een duurzame energie-infrastructuur anders dan de door de gemeente beoogde infrastructuur te kiezen, de zogenoemde opt-out.
De specifieke omschrijving van deze en andere relevante regels is opgenomen in het ontwerp Bgiw.
Op de mogelijkheid om een gebied aan te wijzen introduceert het ontwerp Bgiw een aantal uitzonderingen:
- locaties waar activiteiten verricht worden die onder de zogenoemde ETS-vergunningsplicht vallen; en
- locaties waar activiteiten worden verricht in het kader van het exploiteren van installaties- en systemen in de keten van de productie, omzetting, transport en opslag van gas.
Voor de datum van beëindiging van het gebruik van methaangas voor de warmtevoorziening, wordt met het ontwerp-Bgiw de hoofdregel geïntroduceerd dat een termijn van ten minste acht jaar wordt gehanteerd vanaf het tijdstip van vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan. Op deze hoofdregel geeft het ontwerp-Bgiw overigens een aantal uitzonderingen waarbij een kortere termijn gehanteerd kan worden.
Om de aanwijsbevoegdheid Wgiw in te zetten moet de gemeenteraad de daarvoor benodigde wijziging van het omgevingsplan onderbouwen. Het ontwerp-Bgiw bevat in dit kader een aantal punten die in ieder geval onderbouwd moeten worden. Deze punten zien onder meer op de financieringsmogelijkheden voor de beoogde nieuwe energie-infrastructuur en de gevolgen voor de aanleg en het beheer van deze infrastructuur door de netbeheerder voor elektriciteit.
Een punt van onderbouwing dat als een harde inhoudelijke eis fungeert voor de inzet van de aanwijsbevoegdheid Wgiw is de betaalbaarheid voor bewoners. Het ontwerp-Bgiw bepaalt namelijk – kort gezegd – dat bij de inzet van de aanwijsbevoegdheid de gemeenteraad het volgende in acht neemt. De verwachte kosten van de aansluiting van de duurzame energie-infrastructuur aan een gebouw met een woonfunctie of neven-gebruiksfunctie wonen mag voor de bewoner niet uitstijgen boven de verwachte baten van die aansluiting. Aan deze harde betaalbaarheidseis wordt voldaan als de verwachte kosten niet uitstijgen boven de verwachte baten voor ten minste 70% van de woonfuncties in het betreffende gebied.
Uit de zinsnede “in acht nemen” volgt dat de gemeenteraad bij de aanpassing van het omgevingsplan expliciet moet onderbouwen dat aan de betaalbaarheidseis wordt voldaan. Het ontwerp-Bgiw introduceert regels voor de berekening van de betaalbaarheid zoals hiervoor beschreven. Ook volgt uit het ontwerp-Bgiw en de nota van toelichting daarop dat deze rekenregels verder zullen worden uitgewerkt in een ministeriele regeling.
Erg relevant is dat de mate waarin de inzet van de aanwijsbevoegdheid goed onderbouwd kan worden – bijvoorbeeld in het kader van de betaalbaarheidseis – zal afhangen van eerdere stappen en besluiten van de gemeente in het kader van haar instrumentarium onder de Wet Collectieve Warmte (Wcw). Bij de inzet van dit instrumentarium worden immers keuzes gemaakt die invloed kunnen hebben op verschillende factoren, zoals de betaalbaarheid van de nieuwe energie-infrastructuur.
De Wgiw en het ontwerp-Bgiw stellen geen vormvereisten aan de onderbouwing van de aanpassing van het omgevingsplan. Uit de toelichting bij de Wgiw en het ontwerp-Bgiw is wel op te maken dat de wetgever voor ogen heeft dat deze onderbouwing wordt opgenomen in een zogenoemd uitvoeringsplan voor het betreffende gebied. Dit uitvoeringsplan fungeert – kort gezegd – als een nadere uitwerking van het warmteprogramma en de inzet van de aanwijsbevoegdheid voor het specifieke gebied. Te onderbouwen aspecten, waaronder de harde eis van betaalbaarheid kunnen dan worden uitgewerkt in dit uitvoeringsplan. De figuur uitvoeringsplan is echter niet verplicht. Het lijk daarom ook verdedigbaar om de inzet van de aanwijsbevoegdheid te onderbouwen met andere documenten.
Ten slotte: informatieverstrekking aan de ACM, monitoring en handhaving
Met de aanpassing van het omgevingsplan is de inzet van de aanwijsbevoegdheid Wgiw niet geheel voltooid. Wanneer een gebied is aangewezen, moet het college of de gemeenteraad volgens het ontwerp-Bgiw binnen vier weken na inwerkingtreding van de aanwijzing de Autoriteit Consument en Markt informatie verstrekken over de locatie waar en de datum waarop geen methaangas meer zal worden geleverd. Het college zal op grond van het ontwerp-Bgiw na inzet van de aanwijsbevoegdheid ook de voortgang van de aanleg van de duurzame energie-infrastructuur en de aansluiting daarop van gebouwen in het gebied moeten monitoren. Als uit de verplichte monitoring blijkt dat de aanleg van en/of de aansluiting op de aangewezen energie-infrastructuur niet tijdig gerealiseerd kan zijn, dan is de gemeenteraad op grond van het ontwerp-Bgiw verplicht de datum waarop er geen methaangas meer wordt geleverd te verzetten. Ten slotte, zal het college het ingestelde verbod op gebruik van methaangas in het betreffende gebied moeten handhaven.
Onze expertise
Ons kantoor volgt ontwikkeling rondom de Wgiw en daarmee samenhangende wetgeving nauwgezet. Wij adviseren overheden, warmtebedrijven, VvE’s, verhuurders en andere belanghebbenden. Heeft u vragen, dan helpen wij u graag bij het in kaart brengen van de juridische gevolgen én kansen die de Wgiw biedt. Neem gerust contact op met onze specialisten voor een vrijblijvende kennismaking of een verdiepende analyse van uw specifieke situatie. De specialisten van Paulussen die voor u klaar staan zijn Bert Lejeune, Roel Mertens, Bart Lenferink, Patou Courtens, Emiel de Bruijne, Jesse Simonis, Demi Herveille en Lara Hartman-Ohnesorge.
Nieuws Overzicht