
De recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State laat zien dat de Wet Bibob zich steeds verder ontwikkelt van een instrument voor horeca en coffeeshops naar een volwaardig toetsingskader binnen het omgevingsrecht, de vastgoedpraktijk en vergunningverlening. Vier uitspraken uit 2026 illustreren deze ontwikkeling.
Vastgoed en omgevingsrecht steeds vaker onderwerp van Bibob-toetsing
Een opvallende ontwikkeling is dat Bibob steeds vaker wordt toegepast bij bouw- en vastgoedprojecten. Dat blijkt onder meer uit de uitspraak van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1070, Omgevingsvergunning Uithoorn.
In die zaak werd een vergunningaanvraag buiten behandeling gesteld omdat de aanvrager onvoldoende financieringsgegevens en Bibob-informatie had verstrekt.
De uitspraak onderstreept dat transparantie over financiering tegenwoordig een essentieel onderdeel vormt van vergunningprocedures. Niet alleen de aanvrager zelf, maar ook financiers, investeerders en geldstromen kunnen onderwerp van onderzoek zijn.
Niet meewerken kan verstrekkende gevolgen hebben
Dat blijkt ook uit de uitspraak van 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2749, FEBO Almere I. In deze zaak had een vergunninghouder onvoldoende medewerking verleend aan een Bibob-onderzoek. De Afdeling bevestigde dat het niet verstrekken van gevraagde informatie zelfstandig aanleiding kan vormen voor het intrekken van vergunningen.
Voor ondernemers is dit een belangrijk aandachtspunt. Waar vroeger vooral werd gekeken naar strafrechtelijke antecedenten, speelt tegenwoordig ook de mate waarin een aanvrager openheid van zaken geeft een belangrijke rol. Het niet of onvolledig beantwoorden van Bibob-vragen kan op zichzelf al grote gevolgen hebben.
Bestuursorgaan behoudt eigen beoordelingsruimte
Een andere interessante, gelieerde uitspraak (zelfde feiten) dateert eveneens van 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2643, FEBO Almere II. In deze zaak had het Landelijk Bureau Bibob geconcludeerd dat sprake was van een mindere mate van gevaar. De burgemeester kwam echter tot het oordeel dat sprake was van ernstig gevaar en weigerde de vergunning.
De Afdeling bevestigde dat een bestuursorgaan niet zonder meer gebonden is aan de kwalificatie van het Landelijk Bureau Bibob. Het advies vormt een belangrijk hulpmiddel, maar de uiteindelijke beoordeling blijft de verantwoordelijkheid van het bevoegde bestuursorgaan.
Voor de praktijk betekent dit dat een relatief gunstig Bibob-advies geen garantie biedt voor vergunningverlening.
Evenredigheid kent grenzen
De meest spraakmakende uitspraak van dit jaar is die van 20 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2905, Varkenshouderij Creil). In deze zaak werden vergunningen van een varkenshouderij ingetrokken en een nieuwe vergunning geweigerd op basis van een negatief Bibob-advies. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de gevolgen voor de onderneming mogelijk te verstrekkend waren.
De Afdeling kwam echter tot een ander oordeel. Ondanks de grote financiële gevolgen voor het bedrijf achtte zij de maatregelen evenredig, gelet op de ernst, aard en duur van de betrokken overtredingen.
Deze uitspraak laat zien dat de inmiddels vaste evenredigheidstoets niet betekent dat Bibob-besluiten snel zullen sneuvelen. Wanneer sprake is van ernstige risico’s of structurele overtredingen, kan een vergunningweigering of -intrekking ook bij grote economische schade rechtmatig zijn.
Conclusie
De rode draad in de Bibob-jurisprudentie van 2026 is duidelijk. Bibob wordt steeds vaker ingezet bij vastgoedontwikkeling, bouwprojecten en omgevingsvergunningen. Tegelijkertijd stelt de Afdeling hoge eisen aan transparantie over financiering en bedrijfsstructuren. Ondernemers die onvoldoende informatie verstrekken lopen aanzienlijke risico’s, terwijl een gunstig Bibob-advies geen garantie biedt voor vergunningverlening.
Voor ontwikkelaars, beleggers en ondernemers is het daarom verstandig om Bibob-risico’s al in een vroeg stadium van een project in kaart te brengen. De recente rechtspraak laat zien dat Bibob inmiddels een structureel onderdeel is geworden van de bestuursrechtelijke praktijk en dat de gevolgen van een negatieve Bibob-beoordeling aanzienlijk kunnen zijn.
Deze uitspraken laten zien dat Bibob zich steeds verder ontwikkelt van een uitzonderlijk integriteitsinstrument naar een vast onderdeel van vergunningverlening, vastgoedontwikkeling en het omgevingsrecht.
Deze bijdrage werd geschreven door Rob Schobben.
Voor Bibob gerelateerde vragen kunt u met hem contact opnemen (r.schobben@paulussen) of met een van de volgende collega’s: Ralf Vlecken (r.vlecken@paulussen.nl) , Sharon Fraats (s.fraats@paulussen.nl) , Emiel de Bruijne (e.debruijne@paulussen.nl) , Noa van Eijs (n.vaneijs@paulussen.nl) of Jesse Simonis (J.simonis@paulussen.nl)
Nieuws Overzicht